april 29, 2008

Met een Trabant door Berlijn

In de voormalige DDR was de wachttijd voor een nieuwe Trabant minimaal tien jaar. Wie tegenwoordig Berlijn bezoekt, kan de meteen instappen in zo’n compact wagentje met kunststof chassis en pruttelende tweetaktmotor. Een ontdekkingstocht door voormalige Oost-Berlijn achter het stuur van een Trabant, of Trabi zoals het wagentje ook wel liefkozend wordt genoemd.
Tempelhof
Door Boris Peters

Bij de landing op vliegveld Berlijn Tempelhof is in de verte de Fernsehturm, de ruim 365 meter hoge televisietoren goed zichtbaar. Een stukje DDR-geschiedenis dat nog steeds imponeert. In Berlijn is de geschiedenis sowieso nooit ver weg. Zo was het monumentale vliegveld Tempelhof eerst een geliefd vliegveld van de Nazi’s, die het toch al imponerende complex in 1939 door de architect Ernst Sagebiel verder lieten aanpassen aan de fascistische bouwstijl.

Later speelde het vliegveld een belangrijke rol tijdens de blokkade van Berlijn door de Sovjet Unie. Toen de sovjet Unie in 1948 alle wegen naar Berlijn te blokkeren, reageren de geallieerden hierop met een luchtbrug. Tussen 1948 en 1949 landde hier iedere paar minuten een geallieerd vliegtuig met voedsel. Een herdenkingsmonument in de vorm van het begin van een brug met drie uitlopers, in de volksmond bijgenaamd de Hongerklauw, herinnert hieraan. Het staat in een parkje direct naast de hoofdingang van het vliegveld.

Na de val van de muur in november 1989 en de daarop volgende eenwording van Duitsland, verplaatste het centrum van de stad zich Oostwaarts naar de wijk Mitte, waartoe onder meer historische plaatsen als de Brandenburg Tor, Unter den Linden, de Alexanderplatz en de Potsdamer Platz onder vallen. Plaatsen die tussen 1949 en1989 grotendeels tot Oost-Berlijn gerekend werden.

Ik heb een afspraak op de Gendarmenmarkt, een gracieus plein vlakbij de beroemde boulevard Unter der Linden. Het plein, dat in de zeventiende eeuw werd aangelegd als marktplein, is vernoemd naar een regiment Franse ‘gens d’armes, dat hier tussen 1736 en 1782 was gestationeerd. Keurig opgepoetst staan hier twee pastelblauwe Trabantjes geparkeerd. Een van de Trabantjes mag ik het komende anderhalf het mijne noemen. Een gids van Trabi-Safari, het bedrijf dat de wagentjes met gids verhuurt, staat me al op te wachten. Buiten mijzelf, is op deze koude winterdag van het bezoek, slechts één ander koppel dat zich vandaag in het Trabant-avontuur zal storten.

Na een blik onder de motorkap, waarbij ons verteld wordt hoe we met de aanwezige peilstok het benzineniveau kunnen peilen, is nestelen we ons in de autozetels. In plaats van een versnellingspook is er een hendeltje rechts van het stuur waarmee geschakeld kan worden. Een halve slag van het contactsleuteltje is voldoende om de motor aan te doen slaan. Een paar seconden later slaat het motortje even makkelijk weer af. Bij de twee poging, me nog even vergissend tussen de derde en eerste versnelling , zijn we echter echt op weg. Dat de gids naast mij in de wagen met een geheel van kunststof gemaakt chassis zit, helpt. De achtervolgende Trabi moet het doen met het commentaar via een soort boordradio.

Langzaam draaien we om het wat misschien wel het mooiste plein van Berlijn is. De 18e-eeuwse Deutscher Dom is tijdens mijn bezoek vanwege werkzaamheden vrijwel geheel ingepakt in plastic. Het evenbeeld aan de andere kant van het plein, de Französischer Dom, die vrijwel een exacte kopie van de Deutscher Dom is, is gelukkig wel te bewonderen. En ook het Schauspielhaus (schouwburg) in het midden van het plein staat er in al zijn glorie.

Niet dat ik er echt veel van zie. Want zeker het eerste kwartier eist het rare versnellingshendeltje van de Trabant het grootste deel van mijn aandacht. In de voormalige DDR was dit dé auto voor de gewone man, een geliefd bezit waarvoor de wachtlijst minstens tien jaar bedroeg. Meer dan drie miljoen werden er tussen 1959 en 1990 van gebouwd. In Berlijn schijnen er momenteel nog zo’n 3500 duizend van rond te rijden. Zelf signaleer ik er in drie winterse dagen Berlijn -buiten onze mini-colonne – overigens slechts twee.

Qua route is de keuze vandaag op de ‘Berlin Wild East’ gevallen, we rijden immers niet voor niet in een van de verworvenheden van de voormalige DDR rond. We naderen een andere momument uit de DDR-tijd de Fernsehturm bij de Alexanderplatz. Met deze televisietoren, gebouwd tussen 1964 en 1969 wilde de DDR-regering de grootsheid van haar hoofdstad uitdrukken. Met 365 meter is het nog steeds het hoogste gebouw van Berlijn. Bij mooi weer is biedt het Telecafé op ruim tweehonderd meter hoogte een prachtig uitzicht over de hele stad. Wel minimaal een half uur blijven zitten, want dat is tijd waarin het platform eenmaal om zijn as heen draait.

Achter de Alexanderplatz langs gaat het richting de Karl Marx Allee. Op de brede, statige laan, die aanvankelijk als Stalin Allee werd aangelegd maar na diens dood in 1961 werd omgedoopt, voelt mijn DDR-wagentje zich duidelijk in zijn nopjes, de rookpluimen negerend schakel ik zelfs even door naar vierde versnelling. Tussen de negentig en 125 meter meter breed maar liefst is deze boulevard die tussen 1952 en 1965 in delen werd aangelegd. Breed genoeg om als toneel voor de militaire parades van de DDR te dienen.

Lange flatgebouwen staan aan weeszijden in het eerste deel gerekend vanaf de Alexanderplatz. De oude-sobere DDR bioscopen International and Kosmos uit 1962 en 1963 zijn overigens nog steeds als zodanig in gebruik. Het mooiste gedeelte is echter het tweede gedeelte tussen de Strausberger Platz en de Frankfurter Tor. Net als langs de Lenin Allee in Moskou, die als voorbeeld diende, werden hier in perfecte symmetrie ‘paleizen voor het volk’ neergezet. Enorme flatgebouwen tot tien verdiepingen hoog zijn het met klassieke elementen als zuilen bij de ingang, torens op de hoeken bij de pleinen en een soort taartversiering langs de bovenkant.Achter deze imponerende façades bevinden overigens gewoon duizenden kleine etagewoningen. Op de gelijkvloerse etages, die deels leeg staan, zitten veel winkels, restaurants, een paar hele mooi retro-bars en opvallend veel reisbureaus. Hoewel er veel verkeer rijdt, is het dankzij de ruime opzet en de ook aardig wandelen hier.

Wij slaan af en rijden de wijk Friedrichshain in. De buurt is momenteel erg in trek bij jong en hip Berlijn. Met een bevolking waarvan bijna 50 procent jonger is dan 35 jaar zijn dat overigens nogal wat mensen in deze stad met zo’n 3,5 miljoen mensen. Net als eerder in Prenzlauerberg gebeurde vestigen zich hier veel mensen, cafés en clubs die worden aangetrokken door de (nu nog) relatief lage huren. De wijk, met veel oudere wat lagere appartement gebouwen, waarvan slechts een deel al is opgeknapt, oogt volgens de gids nog zoals het er voor de val van de muur moet hebben uitgezien.

Inmiddels redelijk aan de Trabant en de primitieve vering gewend tussen we rustig langs de East Side Galerie. Met een lengte van dertienhonderd meter is het langste stuk muur dat intact is gebleven. Zodra ik na dit stuk geschiedenis gas geef, wordt ik, tot schrik van de gids, van voren geflitst door een vallende ster. Kennelijk is zo’n Trabantje zo langzaam nog niet.

Bij Checkpoint Charlie, een van de overgangen die in de DDR tijd gebruikt werd door diplomaten en buitenlanders om de grens over te steken, zien we nog net een woud van eenvoudige houten kruizen die de slachtoffers die omkwamen bij hun pogingen om van Oost naar West te ontsnappen. Iets verder op rijden we langs een andere stuk bewaard gebleven muur. ‘Topographie des Terrors’, wordt deze plaats gelegen aan de met een permanent buitententoonstelling met foto’s en teksten tegenwoordig genoemd. Tussen 1933 en 1945 was hier, aan wat toen nog de Prinz Albrecht Strasse heette, het hoofdkantoor van de Gestapo, de administratieve leiding van de SS en de veiligheidsdienst van de SS gevestigd. Het is hier dat veel van de gruwelijkste daden van het Nazi-regime werden gepland. In de cellen van de Gestapo vonden velen de dood.

april 6, 2008

De Serres van Laken

Dit verhaal verscheen op 5/4/2008 in de regionale Wegenerkranten

Normaal zijn ze gesloten voor gewone bezoekers, maar eens per jaar gaan de poorten van de Koninklijke Serres van Laken in Brussel enkele weken open. Boris Peters ging alvast kijken in de ‘glazen stad’

Een uitstapje naar de Ser­res van Laken in Brussel is een beetje als op be­zoek gaan bij de Konink­lijke familie. Om bij het uit staal en glas opgetrokken archi­tectonische hoogstandje te komen, moeten namelijk de erehekken van het Kasteel van Laken gepasseerd worden. In het kasteel wonen prins Filip en prinses Mathilde. Ko­ning Albert II en koningin Paola wonen aan de overkant in het Kas­teel van het Belvédère.
Eenmaal door de hekken is er aan de linkerkant de bijna honderd me­ter lange Oranjerie. Dit uit steen opgetrokken gebouw waar planten in kunnen overwinteren, werd ge­bouwd in opdracht van koning Willem I der Nederlanden. Het Kasteel van Laken was van 1815 tot de onafhankelijkheid van België in 1830 namelijk zijn zomerresiden­tie. De Oranjerie geeft toegang tot de serres, die samen een soort gla­zen stad vormen, met duizenden unieke bloemen- en planten als be­woners.
Het was Koning Leopold II die in 1868 besloot om een wintertuin te laten bouwen, direct naast de al be­staande Oranjerie. Leopold was een van de grootste bouwheren van zijn tijd en zijn opdrachten hebben een duidelijke stempel ge­drukt op het hedendaagse Brussel.
Hij was ook een groot kenner van bloemen en planten. Voor de win­tertuin en het serrecomplex dat er­na gebouwd werd, tekende de ar­chitect Alphonse Balat, een leer­meester van de beroemde art-nou­veau- architect Victor Horta. De bouw van de wintertuin begon in 1874 en duurde twee jaar, waarna er nog tot 1880 aan de inrichting werd gewerkt.
Via een pad worden bezoekers door de enorme, ronde serre ge­leid, die een diameter van ruim 57 meter heeft en ruim 25,6 meter hoog is. Een glazen kroon siert de koepel van de serre, waarin de ko­ninklijke familie soms ontvangsten houdt. Veel van de palmbomen in deze kas zijn nog in de tijd van Le­opold II geplant.
De variatie is groot. Zo zijn er on­der meer kaneelbomen uit Sri Lan­ka, palmen uit China en Japan en een meelbanaanboom uit Azië.
Om van de prachtige tropische kas te genieten, hoef je zeker geen ken- ner te zijn. Het binnenvallende licht, de enorme glasoppervlakken en de bloeiende bloemen zijn op zichzelf al indrukwekkend genoeg.
Mooi is ook de goed zichtbare, lichtgroen gekleurde ijzeren draag­constructie van de serre.
Vanuit de wintertuin, die ook wel Grote Rotonde wordt genoemd, leidt het Grote Bijgebouw der Pal­men naar de Congoserre. Boven de doorgang zijn de initialen van Leo­pold in het ijzerwerk verwerkt, zo­als dat ook op enkele andere plek­ken in het serrecomplex het geval is. Leopold II stichtte in Congo zijn eigen vrijstaat, waarvan hij ook het staatshoofd was. Onder het mom dat hij de inheemse be­volking wilde bevrijden van de Arabische slavendrijvers en het Christendom wilde introduceren, reageerde hij weinig fijnzinnig en onttrok grote kapitalen aan het land. In 1908 werd Congo overi­gens een Belgische kolonie, die pas in 1960 onafhankelijk werd.
De in 1886-1887 gebouwde Congo­serre was aanvankelijk, zoals de naam al suggereert, bestemd voor planten uit Congo. De tropische ve­getatie uit Afrika sloeg, bij gebrek aan voldoende zonuren, echter niet aan. Daarom werd uitgeweken naar subtropische planten, die min­der zonlicht nodig hebben.

Wie nu door de vierkan­te serre loopt, geniet onder meer van enor­me, krullerige varens in allerlei variëteiten en van Austra­lische palmen, rubberplanten en bergmos. Eenjarige bloemen zor­gen voor de kleurige accenten. Een witte trap leidt naar de wat lager gelegen Embarcadère, die uit twee gedeeltes bestaat. Het eerste gedeel­te is een overkoepelde vierkante serre met twee zijvleugels waarin twee beelden: Avond en Dageraad.
Naast kaneelbomen staan hier ro­ze trosbloemen in potten die Leo­pold II ooit uit China meenam.
Een doorgang leidt naar het twee­de gedeelte van de serre. Hier kan de bezoeker ook naar buiten om een deel van het enorme koninklij­ke domein te bezoek.
Een wandeling door het glooiende park is de moeite waard. Het uitge­strekte park is een groene oase van rust in de drukke stad Brussel. Dat wordt nog eens benadrukt bij de grote vijver, vanwaar er een fraai uitzicht over de drukte en het be­ton van de Europese hoofdstad is.
In het park kan ook het beeld­houwatelier van koningin Elisa­beth ( 1876- 1965), een hoeve-achtig gebouw met rieten dak, bezocht worden. De erachter gelegen Aza­leaserre is qua bouw niet zo bijzon­der, maar de honderden azalea’s, die op wonderbaarlijke wijze alle­maal gelijktijdig bloeien, des te meer. Het is een golvende zee van bloemen in alle kleuren-varietei­ten. Van zacht roze tot donker­rood.
Terug naar de serres, waarvan er één, de IJzeren Kerk, aanvankelijk een heuse kerk was met plaats voor achthonderd kerkgangers. Te­genwoordig is in deze serre een zwembad voor de koninklijke fami­lie ondergebracht. Helaas is deze ruimte niet toegankelijk voor be­zoekers. Het verhaal wil dat het zwembad ook de reden is waarom de nabijgelegen Japanse toren niet beklommen mag worden en dat al­leen de eerste etage ervan in ge­bruik is als museum. Vanaf de ho­gere verdiepingen is er namelijk een goed uitzicht op het zwembad.
Reageren? redactie. reizen@wegener.nl

De Koninklijke Serres van Laken zijn te bezoeken van zaterdag 19 april t/m maandag 12 mei.
Maandag is sluitingsdag, met uit­zondering van 12 mei.
Dinsdag, woensdag, donderdag, za­terdag en zondag van 9.30 tot 16.00 uur, vrijdag van 13.00 tot 16.00 uur.
Avondopenstelling: vrijdag tot en met zondag van 20.00 tot 22.00 uur.
Dinsdag 22 april is voorbehouden aan mindervaliden.
De ingang is langs de erehekken van het Kasteel van Laken aan de Ko­ninklijke Parklaan in Brussel.
www.monarchie.be


april 4, 2008

Artikel voor Trens (relatiemagazine van de NS)

april 1, 2008

Barcelona, lente 2008

tmpphpid1gnn.jpg0bbe2d86-c417-e3b7-efd3cddcfa0da3e0.jpg

maart 21, 2008

Het andere Barcelona

Ik ben tot en met 1 april in Barcelona daarom hier een (al wat ouder) verhaal dat eerder in De Tijd (Be) verscheen.

Met enkele grote ingrepen is Barcelona erin geslaagd de vervallen wijk El Raval weer aantrekkelijk te maken voor bezoekers. Samen met El Born behoort de buurt nu tot de populairste wijken van de Catalaanse hoofdstad.

De Rambla, de 1.200 meter lange wandelpromenade die het centrum van de Catalaanse hoofdstad Barcelona doorkruist, is al decennialang de plek om te zien en gezien te worden. Het is er altijd druk. Levende standbeelden verbazen de passant, terrasjes proberen hem te verleiden even neer te zijgen. Maar waar de wandeling vroeger, nog voor de zee bereikt was, min of meer vanzelf stopte bij het beeld van Christopher Columbus, kan de wandelaar sinds de Olympische Spelen van 1992 zijn weg vervolgen tot in de haven. Een elegante loopbrug op drijvende vlonders, Rambla de Mar gedoopt, leidt naar een modern complex dat onder meer winkels, cafes en een bioscoop herbergt.

Niet alleen aan het einde van de Rambla is veel veranderd. Ook El Raval, de wijk aan de westkant van de Rambla, onderging de jongste jaren een metamorfose. El Raval lag aanvankelijk buiten de 13de-eeuwse stadsmuren. Er stonden kloosters en kerken, die in de 19de eeuw plaatsmaakten voor fabrieken, die inmiddels ook al lang weer zijn verdwenen. Drugs, prostitutie en armoede bezorgden de buurt lang een slechte reputatie. Sinds 1992 ondergaat de buurt echter een geleidelijke opknapbeurt. Rotte plekken in de wijk zijn gesloopt en goedkope pensions gesloten. Nieuwbouw kwam in de plaats. Een van de trekpleisters is nu het MACBA, het centrum voor de hedendaagse kunst uit Barcelona, gelegen aan het bij skaters populaire Placa del Angels. Het museum is ondergebracht in een blakend wit gebouw van architect Richard Meier.

In het kielzog van de musea en enkele nieuwe universiteitsgebouwen vestigen zich steeds meer trendy winkels en restaurantjes in de buurt. Zelfs lucht wordt hier nu succesvol aan de man gebracht, bewijst de Air Shop aan de Calle del Angels, nummer 20. Een concentratie van restaurants is te vinden in de Calle Doctor Dou, met onder meer Mamacafe, een voormalige kunstgalerie waar tegenwoordig de kunst van het fusionkoken wordt beoefend.

Oud

El Raval is gelukkig niet alleen maar nieuw en hip. In de Calle Hopital zijn nog winkeltjes te vinden waar de tijd tientallen jaren stil lijkt te hebben gestaan. Nog verder terug in de geschiedenis gaat de bezoeker bij het passeren van de toegangspoort van het Antic Hospital aan de Calle Hospital. Hier overleed Gaudi in 1926, de architect die zijn stempel drukte op Barcelona met bouwwerken als Casa Mila, Casa Battlo, Palau Guell en de Sagrada Familia, waaraan nog steeds gebouwd wordt. Het verhaal wil overigens dat men aanvankelijk in de zwaargewonde, slordig geklede man niet eens de vermaarde architect had herkend. De ruime, besloten binnenplaats van het ziekenhuis, met pilaren en sinaasappelboompjes, is een ware oase in het drukke stadsgewoel. In de 15de- en 17de-eeuwse gebouwen worden niet langer de zieken verzorgd, maar zijn nu een kunstacademie en de bibliotheek van Catalonie gevestigd.

Voor we El Raval achter ons laten, brengen we een bezoek aan La Boqueria, de grootste en populairste overdekte markt van Barcelona, waar het altijd zindert van de activiteit. De hoofdingang met kleurige in gietijzer gevatte ramen ligt aan de Rambla. Stokvis, verse vis, escargots, gedroogde hammen, wilde paddestoelen, vrijwel alles is er te koop. Wie er hongerig van wordt, kan proberen een barkruk aan de toog van Pinotxo’s te bemachtigen. Het populaire eetbarretje is gemakkelijk te vinden dankzij de houten Pinokkio die boven de kraam uittorent.

El Born

We steken de Rambla over en lopen het Placa Reial op, met prachtige arcaden en twee door Gaudi ontworpen lantaarns. Zeker na een regenbui, wanneer er een soort glans over de gladde stenen komt, heeft het plein een gracieuze uitstraling. Via de smalle steegjes van de gotische wijk met zijn kathedraal, gaat het richting een andere populaire wijk: El Born, gelegen achter het Picasso-museum. Net als El Raval was dit vroeger een buurt met een twijfelachtige reputatie.

Dat is duidelijk verleden tijd. In het hart van de wijk ligt de Passeig del Born, een langgerekt, met bomen omzoomd plein, waar zelfs in de winter nog vaak terrassen staan. De zijstraatjes die vanaf het plein uitwaaieren, dragen namen die verwijzen naar het soort ambachtslieden dat er vroeger gevestigd was.

In Calle Mirallers zaten de spiegelmakers, in Calle Sombrerers huisden de hoedenmakers. De jongste jaren brachten kleine winkeliers, ateliers, restaurants en ambachtslieden de bedrijvigheid terug in de buurt, waardoor een aanlokkelijke mix van een winkel- en uitgaanswijk is ontstaan. Wij laten ons bij Formatgeria La Seu (Carrer Dagueria 16) verleiden ambachtelijk gemaakte kazen en een glas wijn te proeven.

Aan een van de smalle uiteinden van de Passeig Del Born ligt de Santa Maria del Mar. De kerk, geliefd voor bruiloften, is een voorbeeld van veertiende-eeuwse Catalaanse gotiek, met eenvoudige buitenmuren en een sobere facade. Tijdens de burgeroorlog in 1936 ging veel van het interieur verloren. Wat over bleef, is er niet minder indrukwekkend door. Bijzonder is de grote afstand tussen de steunpilaren. De hoge, achthoekige steunpilaren in het schip staan maar liefst 13 meter uit elkaar. Nog verder en de kerk zou instorten.

Van een geheel andere aard is het Palau de la Musica Catalana aan de calle Sant Francesc de Paula 2. Niets geen eenvoud en bescheidenheid hier. Het gebouw uit 1908 straalt met al zijn krullen, versierselen, beelden, mozaieken en prive-loges een enorme weelde uit. De blikvanger in het gebouw van de Catalaanse architect Lluis Domenech i Montaner is het kleurige glas-in-loodplafond in de art-nouveauconcertzaal.

Eten bij Angel

Voor de lunch verlaten we El Born en lopen via een hoekje van het uitgestrekte Parc de Ciutadella, waar de wereldtentoonstelling van 1888 werd gehouden, richting de Calle Napols. In de Calle Napols is, in een pand dat oogt als een uitdragerij, restaurant Angel verstopt.

Een oud Jezus-beeld en een schilderij van een zigeunermeisje dienen als decoratie. Op enorme tafels staan enkele schotels met worst, een assortiment kaas en varkensreuzel.

De clientele is een mengeling van kantoorpersoneel in pak, werklui en mannen die de pensioengerechtigde leeftijd bereikt hebben. Angel, de eigenaar die de zaak al zo’n dertig jaar runt, is een zwaarlijvige man met zweetpareltjes onder zijn zwarte krullen. Bestellingen opnemen doet hij niet.

Uit zijn minuscule keukentje, waar het een enorme puinhoop is, voert hij gewoon de ene schaal na de andere aan. Gefrituurde inktvisringen, kip, levertjes, een enorme tortilla en een steak bereiken ons bord. Tussen het koken door stapt Angel zelf nog even de deur uit om aan de overkant extra drank in te slaan.

De maaltijd op zich is de moeite waard, maar het zijn de bezoekers, en dan met name de gepensioneerde mannen die hier vrijwel dagelijks zitten, die eten bij Angel tot iets bijzonders maken.

Als zij zijn uitgetafeld en de koffie met cognac op tafel staat, komen twee gitaren tevoorschijn en worden uit volle borst liederen gezongen. Een tengere man, bijna 80, steelt de show. In zijn bescheiden borstkas blijkt een indrukwekkende, geschoolde operastem te huizen. Voorlopig willen we hier niet meer weg.

maart 18, 2008

Verhaal Rallarvegen in Tring!

maart 18, 2008

Publicatie in RO Magazine (Reed Business)

maart 12, 2008

Vergeten vliegveld

Overnachten in een hoevehotel, dicht bij de stad en toch landelijk. Slechts achthonderd meter van zee logeren bij een nog actieve boerderij. Nieuwsgierige kindjes zijn welkom om naar het melken van de koeien te komen kijken. Klinkt allemaal goed dus op naar Oostende. Het hotel is prima in orde, aardige kamer. Verzorgd ontbijt met hoevekaas en verse broodjes ook. Het ruime terras lonkt. He, is dat geen landingsbaan? En daar.. dat is toch echt een serieus vliegtuig. Ja hoor. Hoevetoerisme en een vliegveld sluiten elkaar in Oostende duidelijk niet uit.

maart 9, 2008

Zeppelins

food.jpg

maart 7, 2008

Brussel vrijdagmorgen

De apotheker op de Rue de Wavre rookt een sigaret in zijn deuropening. Op het kruispunt bij het Jourdanplein negeren twee agenten die het verkeer zouden moeten regelen de chaos. De Standaard opent met het bericht dat de opleiding tot politieman niet deugt. Vrijdagmorgen in Brussel, een dag als alle andere.

Next Page »